dinsdag 24 januari 2012

Drie vogels in het paradijs

Le oiseau is de roepnaam die hij van Hassan heeft gekregen. Omdat hij uit de bergen komt en zijn ziel zo rein is als het bronwater dat er uit de rotsen sijpelt. In de stad is lang niet alles zo zuiver. Het hart van zijn vriendin bijvoorbeeld, zo zegt Hassan. Ze speelt met de vleugels van de vogel.

En ook de lucht in de stad is niet zuiver. Als ik ’s ochtends de ramen van mijn appartement open, stroomt een walm van uitlaatgassen de kamers binnen. De handdoek aan de wasdraad op het terras ruikt na een week alsof hij uit een fabrieksschoorteen komt.

Daarom is het goed om er in het weekend op uit te trekken. Aan mooie natuur is er geen gebrek in de regio rond Agadir. Net buiten de stad zijn de heuvels bezaaid met struiken en cactussen. Je hoeft maar wat trappen te beklimmen om er te geraken. Het begint met een vlakke strook land waar bouwen verboden is omdat er een seismische breuklijn onder ligt. Juist erna beginnen de heuvels. Er zijn geen paden, maar de struiken staan ver genoeg van elkaar zodat je er makkelijk tussen kan wandelen.

Als je verder gaat ten zuiden of oosten van Agadir, kom je naast gigantische akkers en serres ook immense vlaktes met argaanbomen tegen. Het is van hun noten dat argaanolie wordt gemaakt, een lokale delicatesse.

Dit weekend wouden le oiseau, Hassan en ik het graag nóg wat groener, en daarom gingen we zondag naar het paradijs.

Le oiseau zit aan het stuur. Hij is een fantastische kerel. Een vrolijke vogel. Hij verdient zijn brood met het repareren van televisies.

We stoppen al snel langs de stoffige hoofdweg in Aourir om te ontbijten. Er wordt een schaaltje gebracht met olie en olijven, en een rieten mandje met drie Marokkaanse broden. Een brood per persoon per maaltijd, dat is de standaard hier. Net zoals de muntthee, die rijkelijk vloeit bij elke gelegenheid.

Onze tocht gaat verder door de heuvels. De lage struiken en cactussen rond Agadir worden bomen en bossen. De bestemming is la Vallée du Paradis. In de jaren ’60 was het een verzamelplaats voor hippies, en de hippiebusjes die we onderweg tegenkomen laten uitschijnen dat die golden sixties nog niet helemaal voorbij zijn. Ergens aan een kleine parking zetten we de auto aan de kant en gaan we een wandelpad op dat door het landschap kronkelt en ons tot bij het paradijs brengt.

Een zeven kilometer lange oase in een dal tussen de heuvels. De lucht is er adembenemend schoon, het water smeekt om te zwemmen, en buiten een occasioneel hippiebusje of een auto van een gezin op daguitstap zijn er geen ronkende motoren, gierende banden of brullende knalpotten te horen. In het paradijs zijn de vogels de meesters van het geluid.

We klauteren op rotsen, klimmen in palmbomen, bootsen het geluid van wilde varkens na, kijken wat de vissen lusten en wat niet, proberen dadels uit de boom te gooien, en zien de rotsen die de oase voeden met vers water. Wat een prachtige plaats.

Jammer genoeg moeten we al snel terug naar de stad, want le oiseau heeft afgesproken met zijn vriendin. Van ver waait de geur van uitlaatgassen ons toe. Eerst wordt ze nog vermengd met de geur van de sardienfabriek in de haven, maar eenmaal we de laatste heuvel gepasseerd waren verdwijnt ook die

Volgend weekend gaan we misschien wel terug naar de oase, gewapend met slaapzak en matje, om er de nacht door te brengen.



woensdag 18 januari 2012

God ziet alles… maar de buren nog veel meer

Het stond geschreven op een postkaart die ik een tijdje geleden in mijn handen kreeg en het gaat hier op als een vlieger. Wie graag stiekem wil doen is eraan voor de moeite. Iedereen houdt alles goed in de gaten. Als je dan nog eens buitenlander bent en in een volkse buurt gaat wonen, is er geen houden meer aan. Dan smeek je gewoon om onderwerp te worden van de dagdagelijkse praatjes in de groenten-, eieren-, ijzer-, naai-, en telefoonwinkel, aan de tafels van de brasserie en natuurlijk ook bij de bakker, slager en kapper.

Nog extra bevorderlijk voor de roddels is dat de familie van wie ik mijn appartement huur naast mij woont,  dat ze onder mij een rijschool heeft en dat de huisbazin enkele van mijn collega’s goed kent. Zo gaat het nieuws al snel de wijk rond. Bovendien komt er veel volk over de vloer bij mij, en dat zorgt voor veel bekijks. Als ik een praatje maak met iemand in de buurt weet die steevast of ik bezoek over de vloer heb. Van buitenlandse kerels wordt al snel gedacht dat ze mijn broer zijn. Hun haar is ongewoon lang en van een enkel in andere contreien bestaande textuur, dus moet het wel hetzelfde bloed zijn dat door hun aderen stroomt.

Gisteren ging ik na het werk joggen. Ik trok mijn sportschoenen aan en zodra ik een iets rustigere zijstraat was ingedraaid begon ik te lopen. Mijn tocht ging richting strand, over de drukke Avenue Hassan II, en dan verder door een voetgangerszone. “Allez la Belgique!”, riep een onbekende stem opeens achter mijn rug. Ik was goed aan het lopen en had geen zin om te stoppen of mij om te draaien, maar het was duidelijk iemand die wist wie ik was.

En dan vanavond. Sinds mijn terugkeer in Marokko had ik niets meer van mijn scoutsvriend Abdelali gehoord. Meermaals had ik proberen bellen, maar telkens kreeg ik zijn voicemail aan de lijn. Ik maakte mij de laatste dagen wat zorgen en besloot langs te gaan bij Mustapha, een vriend van Abdelali. Mustapha woont in een steegje op een boogscheut van mijn appartement. Hij is een sympathieke gast, maar zijn Frans is niet zo goed en ik zou er geen hele avond mee op café kunnen doorbrengen.

Mustapha kwam juist thuis toen ik op zijn deur klopte en nodigde mij uit om binnen te komen. Onmiddellijk begon hij thee te maken.  Drie dagen gelden had hij Abdelali nog gezien vertelde hij, en hij gaf mij een tweede nummer van hem. Ik probeerde meteen te bellen, en deze keer kreeg ik Abdelali wel aan de lijn. Er was een probleem met zijn ander nummer vertelde hij en zijn dochtertje was ziek, waardoor hij het nogal druk had. Het was in elk geval een geruststelling hem te horen.

Ondertussen was er nog een vriend van Mustapha toegekomen, meneer Rachid, die een kapperszaak heeft in de straat. Terwijl Mustapha thee in glazen goot en weer in de kan deed om de thee op smaak te brengen, vertelde meneer Rachid dat hij vorige week nog een van mijn bezoekers had geknipt. Pieter, een Belg met wat langer blond haar, die Marokko doorkruist per fiets, en die enkele dagen bij mij logeerde. Meneer Rachid dacht dat het mijn broer was.

Terwijl we thee dronken en brood in heerlijke arganolie dopten vertelden Mustapha en Rachid mij de nieuwtjes over de buurt. Dat er een Noorse kerel woont die John heet en niets doet dan lanterfanten, en dat hij altijd snoepjes voor de kindjes uit de straat meebrengt. En dat er naast Mustapha een huis is met wel negen kamers, elk bewoond door een meisje, en dat die meisjes niet studeren, geen gewoon werk doen, maar wel hun seksuele diensten aanbieden aan bezoekers van de dure hotels van Agadir. En ze roken waterpijp, soms kan je het ruiken als ze terug thuis komen, en drinken doen ze ook.

Er was geen houden aan. Met veel genoegen werd er verteld over praktijen die niet strookten met hun moraal. Zoals suiker de thee denk ik dat hun verhalen goed aangezoet waren, zodat ze lekkerder zouden smaken. Wat niet mag is tenslotte nog zo leuk om luidop over te fantaseren.

Daarna trok meneer Rachid de wijde wereld in, en ik volgde hem. Ik wou mijn blog nog bijwerken, en wat Arabische woordjes leren voor de les van morgen.

maandag 9 januari 2012

Loketfrustraties

De eerste dagen na mijn terugkeer in Marokko liep ik wat ziek en dan ben ik al eens gefrustreerd. De internetverbinding in mijn appartement was zoals voorzien na een maand verlopen. Donderdag ging ik naar het kantoor van Maroc Telecom om een verlenging te vragen. Nummertje trekken, en wachten maar. Na goed anderhalf uur van verveling was het uiteindelijk aan mij, en kon ik een code kopen om mijn aansluiting te vernieuwen. Terug thuis probeerde ik het meteen, maar zonder succes. Ook de interventie van de verkoper van de telefoonwinkel verder in de straat bood geen soelaas. Er zat niets anders op dan de volgende dag terug te gaan naar Maroc Telecom.

Terwijl ik na mijn werk terug naar het kantoor wandelde kwamen de frustraties naar boven. Omdat ik de dag ervoor al anderhalf uur gewacht had, om twee minuten geholpen te worden, voor iets dat uiteindelijk niet bleek te werken. En ook omdat ik me begon te realiseren hoeveel uren ik het komende jaar al wachtend zou doorbrengen in het agentschap van de telefoonmaatschappij. Ik had me gehaast van mijn werk, om de massa voor te zijn. In het kantoor drukte ik meteen op de knop van de ticketmachine, en ik werd getrakteerd op een klein papiertje. “Achttien wachtenden voor u”. Wat ik al had gezien toen ik het kantoor binnenkwam werd numeriek bevestigd. Mijn haast had mij niet beloond. Uren verveling lagen op mijn te wachten.

Alle loketbedienden van het agentschap. De twee die werkten, de twee die gewoon wat stonden te kletsen, die een die net zoals gisteren wel op zijn plaats zat maar wiens nummerbord niet aanstond en die ene met zijn zelfgemaakt bordje “guichet fermé” voor zich. Ik had ze allemaal een schop onder hun kont kunnen geven. Als ik ziek ben vind ik lief zijn soms wat overschat.

Ik ging dichtbij het loket staan waar ik gisteren was geweest. Het was dezelfde mevrouw die er zat. Ik had de indruk dat er nogal wat voorgestoken werd en dat de nummers van de ticketmachine niet echt gevolgd werden. Dat was exact wat ik ook van plan was. Ik ging wat dichter bij het loket staan, maar nog was er iemand die zich tussen mij en het loket murwde. Het was een oud Frans vrouwtje, die haar telefoon wou afsluiten. Na een ogenschijnlijk jarenlang verblijf in Agadir, waarbij ze zich zelfs aan de lokale klederdracht had gewaagd, had ze zich de Marokkaanse loketgewoontes goed eigen gemaakt.

De loketbediende moest iets halen, en op het grootste gemak wandelde ze naar de gang achteraan het kantoor. Een miljoen jaar later kwam ze terug. De dinosaurussen waren al tweemaal opnieuw ontstaan en evenveel keer weer uitgestorven, en de telefoon bestond enkel nog als rariteit in musea, maar de loketbediende wandelde ongestoord terug naar het loket. Een kopie van haar paspoort, vroeg ze aan het vrouwtje. Jammer genoeg werkte de kopieermachine beneden in het agentschap niet. De loketbediende ging naar boven om een kopie te nemen. Even gestaag als daarvoor wandelde ze naar de trap. Wel twee miljoen jaar later kwam ze terug.

Toen het Franse vrouwtje aanstalten maakte om te vertrekken ging ik zo dicht bij het loket staan dat ik er bijna tegen leunde. De mevrouw van het loket merkte mij op. Ze herinnerde mij nog. Of het niet gewerkt had. Nee. Dat gebeurde soms zei ze. Het verbaasde mij hoe vriendelijk ze wel was. Ik had me juist doodgeërgerd aan het lange wachten, de bureaucratie, en de loomheid van iedereen, maar ze was heel behulpzaam en lachte zelfs. Ik had norsheid verwacht, maar de loketbediende was juist supervriendelijk. Ze nam mijn code en tokkelde wat op haar computer. Er was een aanvraag verstuurd naar Maroc Telecom om het probleem te bekijken, en dat kon even duren. Ik zou de volgende dag moeten terugkomen om mijn internetverbinding te activeren.

Ook al moest ik nóg eens terugkomen, de vriendelijkheid van de loketbediende had mijn frustraties grotendeels weggenomen. Al was ik ook gewoon blij dat ik het kantoor kon verlaten. Tot morgen. Morgen inch’allah.