woensdag 12 december 2012

Een biertje in Rabat

De tafels worden overbevolkt door lege bierflesjes. Obers doen de moeite niet om ze weg te halen. Het licht wordt verduisterd door een dikke mist van sigarettenrook. Ver zit ik er niet naast als ik zeg dat iedereen in dit café zat is, buiten het opdienend personeel, mijn twee vrienden en ik. Hadden we daarnet niet door de straten van Rabat gewandeld, ik had moeite gehad om te geloven dat dit Marokko was.

Het drinken van alcohol wordt in Marokko over het algemeen afkeurend bekeken. In de meeste cafés en restaurants zijn alcoholische dranken niet te verkrijgen. Een argument dat veel mensen gebruiken is dat het drinken van alcohol in strijd zou zijn met de islam. De Marokkaanse wet verbiedt zelfs om alcoholische dranken te verkopen aan moslims. Het mag dan ook niet verwonderen dat de grote meerderheid van de Marokkaanse bevolking nooit alcohol drinkt, al bestaan er geen statistieken over het exacte percentage geheelonthouders.

Toch produceert Marokko 85 miljoen liter bier en 35 miljoen liter wijn per jaar, bijna uitsluitend bestemd voor binnenlands gebruik. Die consumptie gebeurt in alle discretie. Cafés zoals deze gaan steeds verhuld achter geblindeerde ruiten. De deuren worden dicht gehouden, ondanks het over het algemeen warme weer.

Naast cafés zijn er in grote steden als Rabat, Casablanca of Agadir ook verscheidene winkels waar alcohol aan de man gebracht wordt, maar de drank bevindt zich steeds afgeschermd in het achterste rek of in een kelder. Aan de kassa worden de flessen of blikjes altijd in een ondoorzichtige plastic zak gestopt, zodat ze niet zichtbaar zouden zijn op straat. Om acht uur ’s avonds gaat de alcoholafdeling van deze winkels op slot. Wie dan nog niet bevoorraad is moet zich wenden tot de zwarte markt, en betaalt makkelijk een veelvoud van de normale prijs.

Het is de paradox van de Marokkaanse samenleving: er zijn strenge sociale normen die niet zomaar in vraag gesteld kunnen worden, maar wie in de luwte wat anders doet wordt met rust gelaten zolang het niet te grote proporties aanneemt. De tolerantie ten opzichte van alcohol is groot, zolang het gebruik niet in het openbaar gebeurt.

Een voordeel voor buitenlanders in Marokko is dat ze niet aan dezelfde strenge sociale regels gebonden zijn. Ze kunnen op toeristische plaatsen probleemloos een biertje bestellen op een terras, terwijl een Marokkaan met dezelfde vraag slechts op een weigering getrakteerd wordt. Voor zij die er Marokkaans uitzien maar dat toch niet zijn biedt het tonen van een buitenlands paspoort soelaas.

Het tafereel in het café is geen uitzondering voor cafés waar alcohol geschonken wordt. Het lijkt dat mensen ofwel helemaal niet drinken, ofwel geen limieten kennen. Alcoholisme is niet uitzonderlijk, maar omdat alcoholgebruik door de Marokkaanse samenleving en de overheid niet beschouwd wordt als een realiteit, is er geen opvang.

De enige momenten dat de tolerantie tegenover alcohol aan banden wordt gelegd zijn tijdens religieuze feestdagen en tijdens de vastenmaand Ramadan. In die periodes gaan de flessen alcohol in winkels achter slot en grendel. Op café zijn het enkel nog buitenlanders die kunnen drinken. Voor Marokkanen, ook voor zij die geen praktiserend moslim zijn, is het onverbiddelijk nee.

woensdag 8 augustus 2012

De Ramadan tussen vasten en overvloed


Agadir, Marokko. Het is iets na half acht ’s avonds. Overal in de stad loeien sirenes en roepen de minaretten op tot gebed. Het is het signaal dat de nacht is gevallen en dat er weer gegeten mag worden. De straten zijn leeg. Iedereen is thuis voor de lftar, het breken van de vasten. Een glas melk met wat dadels is vaak het eerste wat wordt gegeten. Het schijnt een erg voedzame combinatie te zijn en bovendien zijn dadels een heilig fruit.

De lftar, het breken van de vasten
Sinds 20 juli is voor moslims de vastenmaand Ramadan bezig. Tijdens die maand mag er in principe niet gegeten en gedronken worden van zonsopgang tot zonsondergang. Ook roken en vrijen is uit den boze terwijl het licht is.

Net niet de gehele Marokkaanse bevolking is moslim en in het land is de Ramadan een collectief gebeuren. Alle Marokkanen die ik ken vasten mee, of er komt alleszins niemand openlijk voor uit dat hij het niet doet. Toch bestaan er algemeen aanvaarde uitzonderingen: van zwangere vrouwen, zieken en reizigers wordt niet verwacht dat ze vasten.

Nachtleven
Overdag zijn de cafés leeg in Agadir. Hier en daar maakt een uitbater van de gelegenheid gebruik voor een grondige schoonmaak. Enkel in de toeristische buurten zie je mensen op terrasjes eten en drinken, maar het zijn steevast buitenlanders.

Lege straten als het nacht wordt
De dagindeling ziet er grondig anders uit tijdens de vastenmaand. Omdat er niet gegeten wordt nemen mensen geen middagpauze en in plaats daarvan stoppen ze vroeger met werken. Na het werk doen ze inkopen en beginnen ze aan het voorbereiden van het avondeten. De meeste winkels zijn ’s ochtends gesloten, maar tegen een uur of drie ’s middags zijn ze allemaal open.

Na het vallen van de nacht en nadat iedereen wat gegeten heeft komt de stad weer tot leven. Terrasjes lopen vol en op straat is het een drukte van jewelste tot een gat in de nacht. Om twee uur ’s nachts zijn een aantal winkels nog steeds open.

Rond vier uur kondigen de minaretten aan dat de nacht voorbij is. Sommige mensen staan even daarvoor op om nog wat te eten en te drinken en doen daarna hun gebed.
  
Wintertijd
De Ramadan is een maand van de islamitische kalander, die kortere jaren kent dan de gregoriaanse kalender die in het westen wordt gebruikt (en die in Marokko overigens ook wijdverspreid is). Het gevolg daarvan is dat de vastenmaand elke jaar ongeveer tien dagen vroeger valt.

Dat betekent dat de Ramadan met periodes in de zomer valt, zoals dit jaar het geval is. De zomer maakt het vasten lastiger. Niet alleen is het warmer, ook duren de dagen langer. Om de pijn te verzachten heeft de Marokkaanse overheid de wintertijd ingesteld bij het begin van de Ramadan, waardoor het vallen van de avond een uur vervroegd wordt.

Geloof
Maar de Ramadan gaat over meer dan enkel vasten. Door zich te onthouden van alledaagse bezigheden is er meer ruimte om zich te wijden aan het spirituele en aan God. Veel mensen besteden extra tijd aan gebed of aan het lezen van de Koran. Iemand vertelde mij dat alles wat met doet tijdens de vastenmaand wordt verveelvoudigd in de ogen van God.

Met familie en vrienden worden de banden intens aangehaald. ’s Avonds breken mensen vaak in gezelschap de vasten. Ook is er meer aandacht voor zij die het moeilijk hebben in de samenleving. Sowieso wordt er al makkelijk een aalmoes uitgedeeld aan bedelaars, en tijdens de vastenmaand zijn mensen nog guller.

Overvloed
Ondanks het vasten is de Ramadan geen periode van ontbering. Eenmaal het donker is wordt er vaak royaal gegeten en winkels en kraampjes op straat bieden vanaf de namiddag allerlei lekkernijen aan in grote hoeveelheden.

De vastenmaand is traditioneel de periode dat er het meeste geconsumeerd wordt. De vraag naar producten als tomaten, dadels, melk, boter, vlees en eieren kent jaarlijks in die periode een sterke stijging. Volgens een onderzoek van het Marokkaanse planbureau uit 2007 neemt de consumptie van voedingswaren tijdens de Ramadan met 13 procent toe op het platteland en met 19 procent in de steden. De verhoogde uitgaven die daar tegenover staan worden gecompenseerd door besparingen op niet-voedingswaren, of in het geval van lagere sociale klassen door leningen aan te gaan of door solidariteit van familieleden en anderen.

Wel vaker weerklinkt de kritiek dat met al die weelde aan het idee van een sobere vastenmaand voorbij wordt gegaan.

De Marokkaanse overheid doet er ondertussen alles aan om aan de toegenomen vraag tegemoet te komen – door het aanleggen van reserves of via invoer – en te vermijden dat de prijzen de hoogte inschieten.

De Ramadan duurt nog tot 18 augustus. Het einde wordt gevierd met het Aïd el-Fitr, ook wel bekend als het Suikerfeest.

vrijdag 8 juni 2012

Een rabbi in Agadir: « We zitten hier goed »


Ik vertel de politieagent aan de andere kant van het hekken dat ik een afspraak heb. Hij draait zich om en klopt op de grijze metalen poort die versierd is met een zevenarmige kandelaar. Even later doet een oude man met een keppeltje open. Het is de rabbi van de synagoge. Ik wring mij tussen het dranghekken en een bloembak en stel me voor.

Achter de grijze poort ligt een groot wit terras. Het is daar waar de kinderen spelen voor en na de dienst, vertelt de rabbi. Hij wijst me een stoel aan en gaat naast me zitten. We kijken uit over het terras. Een gigantische “La Vache Qui Rit”-affiche bedekt de muur van het naburige appartementsgebouw.

De vermoeide indruk die de rabbi maakte toen ik hem belde wordt bevestigd nu ik hem in het echt zie. Bovendien hoort hij niet meer zo goed. Als ik hem vraag hoe lang hij rabbi is moet hij even nadenken, en het komt hem voor dat het al langer dan veertig jaar is. Van al die tijd is het maar de laatste tien jaar dat hij in Agadir werkt. Daarvoor was hij gevestigd in zijn geboortestad Marrakech. Arabisch is zijn moedertaal, maar de diensten in de synagoge gaan in het Hebreeuws door.

Ik informeer naar het aantal gelovigen, en de rabbi schat dat er nog ongeveer 70 joden zijn in Agadir. In de jaren zestig waren er dat nog ongeveer 2000. Terwijl de stad sindsdien uit haar voegen barste, en nu het half miljoen inwoners overschrijdt, verlieten veel joden de stad. Op zoek naar een beter leven emigreerden ze naar landen als Israël, Frankrijk en Canada. Hetzelfde gebeurde elders in Marokko, en van de enkele honderdduizenden joden die in het midden van de twintigste eeuw in het land woonden, blijft een gemeenschap van enkele duizenden over.

Voor zij die gebleven zijn is er geen reden om te vertrekken, verzekert de rabbi mij. Marokko is een tolerant islamitisch land en de joden hebben het er goed. Hij herinnert eraan dat de het begin van de joodse aanwezigheid in Marokko – net zoals die van de Berbers – meer dan 2000 jaar teruggaat, en dateert van voor de Arabische verovering van het gebied.

Vanwaar de permanente dranghekkens en de politie voor de deur dan, vraag ik me af. Volgens de rabbi is het niet hij die erom gevraagd heeft, maar is het een beslissing van de overheid. Dreigingen van geweld zijn er nooit geweest.

dinsdag 22 mei 2012

Leven aan zee


Hoewel het één uur ’s nachts is zijn er nog steeds twee vissers op het strand met hun hengels uitgeworpen. Aan de bovenkant ervan hebben ze lichtjes gehangen, zodat ze hun lijnen zien bewegen als een vis toehapt.

De kliffen van Sidi R'bat (foto: François-Xavier Boulanger)
Ver weg van grote steden is de nachtelijke hemel boven Sidi R’bat goed gevuld met sterren. Het kleine dorp ligt enkele honderden meters achter een zandstenen klif dat het strand scheidt van de rest van het land. Toch is het allerminst verlaten aan zee, zelfs niet op dit uur. In de kliffen zijn over de hele lengte grotten uitgehouwen. Ze hebben houten deuren met een huisnummer erop. Het zijn uitvalsbasissen van vissers die vroeg op de dag het ruime sop kiezen, of van zij die houden van vissen des nachts. Het is voor zo’n grot dat we liggen in te dommelen, nadat we deze namiddag kennis hebben gemaakt met de eigenaar ervan.

 De grot (foto: François-Xavier Boulanger)
 1.835 kilometer kust telt Marokko, en er is geen stukje daarvan dat niet gebruikt wordt. De zee oefent een grote aantrekkingskracht uit, als gevolg van de vis die ze in zich heeft, de handel die ze toelaat over haar water, en het milde klimaat dat ze achterlaat overal waar haar golven zich op het land werpen.

 Een plaats als Sidi R’bat is goed voor een avontuurlijke weekenduitstap, en zo heeft elk strand haar eigen kwaliteiten. Wie een grot nogal mager vindt qua comfort, maar het toch graag rustig en bescheiden houdt, kan bijvoorbeeld uitwijken naar Tifnit. Het vissersdorpje bestaat uit gezellige witte huisjes die tot juist aan het strand gebouwd zijn, maar beschikt nog niet over stromend water of elektriciteit. Eens de nacht valt is de gaslamp van de kruidenier het enige lichtpunt dat het dorp vanuit de verte onderscheidt.

De dijk van Agadir (foto: Rudi Tierens)
Wie stromend water en elektriciteit een must vindt, is in Agadir aan het goede adres. Het brede en smetteloze strand is erg populair bij Europese toeristen die op zoek zijn naar mooi weer en die vaak hun toevlucht zoeken in de witte hotels achter de dijk. Maar ook bij de lokale bevolking is het erg in trek. ’s Ochtends en ’s avonds zijn er joggers van alle leeftijden en met alle gangbare kledingstijlen. Daarnaast wordt ook gevoetbald en gevolleybald op het strand. Een wandeling in de branding bij zonsondergang is dan weer erg populair bij koppels. De autovrije dijk tenslotte is erg geschikt voor een gezellig cafébezoek met vrienden.

Uiteraard heeft het strand van Agadir ook haar nadelen. Het is heel keurig en netjes en het maken van vuur is bijvoorbeeld verboden. Wie graag een tajine klaarmaakt op het zand kiest beter voor een van de eerder vernoemde locaties. Ook voor wie houdt van geschiedenis is Agadir geen goeie plaats. De stad werd in 1960 door een aardbeving getroffen en het oude centrum werd met de grond gelijk gemaakt. Alleen enkele oude muren herinneren nog aan de medina van vroeger.

Essaouira
Waar wel geschiedenis te vinden valt is Essaouira. De Portugezen kozen de plaats in het begin van de 16e eeuw om een fort neer te planten en onder de Marokkaanse sultan Mohammed ben Abdallah werd het in de 18e eeuw de belangrijkste havenstad van het land. De oude medina van de stad is een van de mooiere van Marokko.

In Sidi R’bat werden we de volgende ochtend wakker bij het rijzen van de zon. Terwijl ik terug naar Agadir ging, waar mijn ouders juist waren aangekomen, spoelde er een walvis aan op het strand. Een beest dat respect inboezemt, want naar ik hoorde werd het eerst nog gezegend door een imam, alvorens begraven te worden in het zand.

(foto: François-Xavier Boulanger)

dinsdag 3 april 2012

Mr. Cab Driver

Een petit taxi in Agadir
In het nemen van een taxi schuilt altijd een mogelijk avontuur. Soms ligt het aan de medepassagiers, soms is het de persoonlijkheid van de taxichauffeur die de reis onvergetelijk maakt.

Zo moest ik laatst vanuit de diplomatieke wijk in Rabat naar het station. Ik hield een petit taxi staande waar al iemand inzat, maar de dame in kwestie moest dezelfde richting uit, en ik nam plaats in de zetel naast de chauffeur. In de petits taxis – meestal Peugeots – mogen maximaal drie passagiers, terwijl in grands taxis – oude Mercedessen wiens kilometerstand de afstand tussen de aarde en de maan benadert – maar liefst zes passagiers kunnen.

Deze keer was het niet mijn medepassagier die de taxirit memorabel maakte, maar het kleurrijke gedrag van de chauffeur. Er was vooreerst zijn grappige manier van spreken. Als een spraakwaterval vloeiden de woorden uit zijn mond, zonder zich aan enig moment van stilte of pauze te wagen, alsof hij vreesde dat opgehouden woorden zich in zijn stembanden zouden ophopen tot een dijkbreuk onafwendbaar zou zijn. Er was daarnaast ook zijn gesticulatie die erg smakelijk was. Met veel gebaren verklaarde hij hoe prachtig de landen in Zuidelijk Afrika die hij bezocht had wel waren, en hoe magnifiek ze zijn in vergelijking met Rabat. Zijn linkerarm maakte bij dat gegesticuleer maximaal gebruik van het openstaande raampje en er mag van geluk gesproken worden dat geen andere auto de taxi onderhand voorbij scheerde.

Het armdansen van de chauffeur minimaliseerde het contact tussen zijn handen en het stuur, maar daar het verkeer slenterde in de avondfiles en gezien ik een overdreven gerustheid koester tegenover mensen met een rijbewijs, baarde mij dat weinig zorgen.

Een eindje voor het station hield de taxichauffeur halt. De dame op de achterbank bedankte hem in het Frans, stopte een briefje van vijftig dirham in zijn hand, en opende de deur. De chauffeur bracht het briefje tot dicht bij zijn gezicht, naar ik vermoedde om de echtheid ervan te verifiëren, stopte het in zijn geldbeugel, en gaf de vrouw een paar muntstukken terug, waarna ze uitstapte en de deur achter zich dichtwierp.

Op dezelfde cadans van armen en woorden zetten we onze tocht verder naar het station. Er volgde een opsomming van welke Zwart-Afrikaanse landen de chauffeur had bezocht en mijn vraag of zijn bezoeken om professionele redenen waren geweest onderbrak zijn woordenstroom niet.

Het was pas toen we al aan het station aangekomen waren dat ik mij vragen begon te stellen bij de rijbekwaamheid van de bestuurder. We stopten en ik nam een billet van 20 dirham uit mijn zakken dat ik hem overhandigde, in de verwachting dat hij het in een vlotte beweging in zijn geldbeugel zou steken, aangezien de teller een bedrag aankondigde dat erg dicht bij de waarde van het bankbriefje lag. Niets daarvan echter, want de chauffeur nam het billet ter hand en bracht het opnieuw tot dicht bij zijn oog. Pas nu realiseerde ik mij dat de chauffeur niet de echtheid van de biljetten controleerde, want daar bestond heus geen twijfel over, maar dat hij moeite had om de getallen erop te zien. De taxichauffeur, waar ik zowat de halve stad mee doorkruist had, kon nog niet eens de waarde van een geldbriefje lezen vanop een meter afstand!

Ik stapte uit, ging de stationshal binnen van Rabat Agdal, wandelde in de richting van het loket en hoopte dat de bestuurder van de trein die ik dadelijk zou nemen wel een oogtest had afgelegd alvorens zijn carrière bij de spoorwegen te beginnen.

dinsdag 20 maart 2012

Het water van Tizoughrane

Het gemeentehuis van Tizoughrane
Deze keer geen blogpost hier, maar een op de blog-site van de BTC. Ik heb het over het ontwikkelingsprogramma waarin ik werk, een programma dat tot doel heeft twaalf dorpen in de regio rond Agadir aan te sluiten op het drinkwaternetwerk, en over het belang van communicatie daarbij.

donderdag 1 maart 2012

Het huwelijk

Een tankstation in de buurt van Marrakech
Er is een wijsheid die beweert dat steden ontstaan daar waar water rijkelijk vloeit. Het zou een soort blauw bloed zijn dat de levensaders van de stad voedt en akkers en handel weelderig doet bloeien. Maar geen wijsheid zonder tegenwijsheid. In het Marokko van vandaag ontstaan steden daar waar diesel en benzine rijkelijk stromen. Rond tankstations, inderdaad. Het begint al met de pompen, die in veel grotere getale neergepoot worden dan de kleine provincieweg de ze flankeren eigenlijk behoeft. Kwatongen zouden makkelijk van verkwisting of megalomanie kunnen spreken, maar wat buitensporig is voor de een is vooruitziend in de ogen van zij die geloven in een nieuwe stad. Je kan ze moeilijk ongelijk geven, want kranen zijn bezig het eerste woonblok naast het tankstation af te werken, en het wegrestaurant kan makkelijk een bevolkingsexplosie aan. En zelfs de liefhebbers van oude wijsheden zijn welkom, zo doet het rimpelloze zwembad achter het restaurant vermoeden.

Zo zaten mijn collega Hassan en ik deze middag te eten in een nieuwe stad in wording. Met stukjes brood ontgonnen we groeten en vlees uit dezelfde tajine. Door de gezellige babbel die ontstond merkte ik pas laat op dat een deel van het gebit van het geitje dat haar leven had geschonken aan onze maaltijd ergens verstopt zat onder een struik ajuinsnippers.

Hassan is een dertiger, vader van twee dochters, en de directeur van het bureau waar ik werk. Hij is een vroom man, die iedere dag trouw zijn gebed doet. Sommige mensen die zich religieus voordoen blijken bij nader inzien nogal hypocriet te zijn, maar Hassan niet. Hij handelt volgens de waarden die hij verdedigt. Ik vind het altijd boeiend om zijn visie te horen en met hem te discussiëren.

Ons gesprek ging over relaties, en zo kwam ik erbij hem te vragen hoe hij zijn vrouw ontmoet had. Zijn verhaal was interessant, en ik wil het graag delen. Hassan vertelde dat zijn latere vrouw vroeger de buurvrouw van zijn broer was. Het gebeurde dat hij op bezoek ging bij zijn broer en haar op straat tegenkwam. Dan praten ze even, en op die manier kenden ze elkaar al een beetje. Hassan was eigenlijk wel geïnteresseerd in haar en dus ging hij op zoek naar haar achtergrond. Of ze een goed diploma had en of ze wel goed van inborst was, dat waren zaken die Hassan belangrijk vond. De vrouw van zijn broer bleek haar goed te kennen en moedigde hem aan initiatief te nemen. Dus ging hij op een dag naar het vertaalbureau waar ze werkte.

Geheel verrast was ze niet door zijn komst en ze spraken af dat ze zouden praten als haar werk gedaan was. En zo spraken ze ’s avonds af en terwijl ze samen naar haar huis liepen vertelde Hassan dat hij wel iets serieus met haar wou beginnen. Hij vroeg of ze al beloftes had gemaakt aan iemand, maar ze verzekerde hem van niet. Ze zag het wel zitten, maar uitgaan deden ze niet echt in de tijd die volgde. De enige afspraakjes die ze hadden was als Hassan na haar werk met haar meewandelde naar huis. Zo ging het drie maanden lang. Toen vonden ze het genoeg en lichtten ze hun ouders in en trouwden. Jonge twintigers waren ze toen, en ondertussen zijn ze elf jaar getrouwd.

Hassan vond het goed om jong en snel te trouwen, en betreurde dat veel jongeren daar tegenwoordig anders over denken. Inderdaad, de meeste jonge mensen die ik ken hebben helemaal nog geen zin om zich te settelen en wachten rustig af tot het juiste moment zich voordoet. En als het vinden van de ware dan toch moeizamer gaat dan gedacht, dan ontbreekt het in Marokko niet aan legendes van putten of rotsen waar je in of af moet springen om je droomprins of -prinses tegen te komen, al bestaat daarbij het risico dat de amoureuze ontmoeting zich noodzakelijkerwijs in een andere dimensie voltrekt.

vrijdag 10 februari 2012

Protest!

Het gebouw van de ONEP
Al ruim een week kampeert een groep betogers voor het gebouw van de watermaatschappij. Collega’s vertelden mij dat het voormalige werknemers zijn die huisvesting eisen. Ze hebben spandoeken opgehangen aan de hekkens en hebben een kamp opgetrokken op het voetpad. De hele tijd zitten ze er. Ze drinken thee en discussiëren, of koken een tajine op een stenen vuurkorf. Het weer is mild voor acties als deze. Regenen doet het vrijwel nooit en overdag is het altijd aangenaam warm. Een tent en wat dekens volstaan om zich ’s nachts warm te houden.

De revolutionaire golf die al ruim een jaar door de Arabische wereld raast heeft in Marokko weliswaar geen volksopstand veroorzaakt, ze heeft wel de geesten van de mensen gerijpt. Marokkanen hebben de kracht van de massa begrepen. Vrijwel dagelijks zijn er betogingen in Agadir. Soms trekt een stoet betogers door de straten en houdt ze het verkeer op, een andere keer vat een groepje manifestanten post voor het gemeentehuis. De eisen zijn divers: hogere lonen of pensioenen, de toepassing van wetten die door mensen met invloed in de wind worden geslagen, de teruggave van land dat is afgenomen,…

De Arabische lente heeft ook de autoriteiten voorzichtiger gemaakt, bang dat een foute reactie het protest nog verder aanwakkert. Een vriend vertelde mij dat de politie vroeger snel ingreep als er iemand in de straten rond de souk (de centrale marktplaats van de stad) iets probeerde te verkopen. Nu zijn de straten errond op zondag vergeven van geïmproviseerde kraampjes. Er heerst een chaos van jewelste. Verkopers palmen het grootste deel van het voetpad in, waardoor voetgangers de straat op geduwd worden en het verkeer volledig in de soep draait. De auto’s en voetgangers verstrengelen zich in elkaar, raken in de knoop, en zoeken als rivieren een weg om hun stroom verder te zetten. De politie laat tegenwoordig alles begaan, en probeert hoogstens het verkeer wat in de hand te houden.

Een keer vertelde meneer Abdelaziz mij over een protest in zijn geboortestreek Tafraout. Altijd als ik passeer langs zijn winkel nodigt hij mij uit op de thee. Ik ben goede klant. Hout is zijn specialiteit maar hij verkoopt ook lampen, kaarsen en stoffen. De prijzen in zijn winkel zijn even mild als het weer. Dat is eerder een gevolg van de slechte ligging van zijn magazijn dan van de oprechte sympathie die meneer Abdelaziz weliswaar voor mij lijkt te koesteren. Als we samen thee drinken in de winkel vertellen we altijd over onze levens. Zo ook die keer dat hij vertelde over het protest in Tafraout, daar waar het berglandschap bezaait ligt met reusachtige keien.

De ONA, een koninklijk mijnbouwbedrijf, had in die streek een goudmijn geopend, zo vertelde meneer Abdelaziz. Dat zinde de lokale bevolking niet, want de mijn gebruikte veel van hun water. Zo gulzig was de goudmijn, dat het grondwaterpeil maand na maand daalde. Argaan- en olijfbomen in de buurt werden droog en gingen tenslotte dood omdat ze niet voldoende water meer hadden.

Tafraout (foto: Wikipedia)
Bovendien werd de bevolking volgens meneer Abdelaziz niet beter van het goud. Het ging rechtstreeks naar Zwitserland of Canada volgens hem, om er de bankrekeningen van de elite te spijzen.

Hevige protesten van de lokale bevolking waren het gevolg. Er werden sit-ins gehouden, om vrachtwagens die van en naar de mijn reden tegen te houden. De inwoners van Tafraout vroegen de interventie van de lokale gouverneur. Ze haalden uiteindelijk hun slag thuis en de mijn sloot. Nieuwe argaan- en olijfbomen werden geplant om de kapotte te vervangen.

Toch was meneer Abdelaziz niet helemaal gerust over de toekomst. Sinds de Arabische lente was uitgebroken had de koning geen voet meer gezet in Tafraout, en dat was volgens Abdelaziz de schuld van diens entourage. Die probeerde volgens hem te verhinderen dat de koning naar Tafraout kwam, zodat hij zelf kon zien wat er aan de hand was.

Voor de koning zelf had Abdelaziz enkel maar lof. Hij was volgens hem een bijzonder intelligent en goedhartig man, die zorgde dat het leven van de armen verbetert. Ook over Hassan II, de vorige koning, was meneer Abdelaziz laaiend enthousiast. Ooit had Hassan II gezegd dat water ontzettend waardevol is, en volgens Abdelaziz was het zelfs nog waardevoller dan goud.

Een revolutie zoals in Tunesië of Egypte zou er niet komen volgens Abdelaziz, en dat hoefde volgens hem ook niet. Marokko had geen bloedvergieten nodig. Met woorden zouden de Marokkanen hun land en hun leven kunnen verbeteren. Langzaamaan, maar steeds een stapje verder.

(ter info: het verhaal van het protest in Tafraout heb ik niet kunnen dubbel-checken, maar er zijn in elk geval sit-ins geweest tegen mijnbouwactiviteiten in de streek rond Agadir)

dinsdag 24 januari 2012

Drie vogels in het paradijs

Le oiseau is de roepnaam die hij van Hassan heeft gekregen. Omdat hij uit de bergen komt en zijn ziel zo rein is als het bronwater dat er uit de rotsen sijpelt. In de stad is lang niet alles zo zuiver. Het hart van zijn vriendin bijvoorbeeld, zo zegt Hassan. Ze speelt met de vleugels van de vogel.

En ook de lucht in de stad is niet zuiver. Als ik ’s ochtends de ramen van mijn appartement open, stroomt een walm van uitlaatgassen de kamers binnen. De handdoek aan de wasdraad op het terras ruikt na een week alsof hij uit een fabrieksschoorteen komt.

Daarom is het goed om er in het weekend op uit te trekken. Aan mooie natuur is er geen gebrek in de regio rond Agadir. Net buiten de stad zijn de heuvels bezaaid met struiken en cactussen. Je hoeft maar wat trappen te beklimmen om er te geraken. Het begint met een vlakke strook land waar bouwen verboden is omdat er een seismische breuklijn onder ligt. Juist erna beginnen de heuvels. Er zijn geen paden, maar de struiken staan ver genoeg van elkaar zodat je er makkelijk tussen kan wandelen.

Als je verder gaat ten zuiden of oosten van Agadir, kom je naast gigantische akkers en serres ook immense vlaktes met argaanbomen tegen. Het is van hun noten dat argaanolie wordt gemaakt, een lokale delicatesse.

Dit weekend wouden le oiseau, Hassan en ik het graag nóg wat groener, en daarom gingen we zondag naar het paradijs.

Le oiseau zit aan het stuur. Hij is een fantastische kerel. Een vrolijke vogel. Hij verdient zijn brood met het repareren van televisies.

We stoppen al snel langs de stoffige hoofdweg in Aourir om te ontbijten. Er wordt een schaaltje gebracht met olie en olijven, en een rieten mandje met drie Marokkaanse broden. Een brood per persoon per maaltijd, dat is de standaard hier. Net zoals de muntthee, die rijkelijk vloeit bij elke gelegenheid.

Onze tocht gaat verder door de heuvels. De lage struiken en cactussen rond Agadir worden bomen en bossen. De bestemming is la Vallée du Paradis. In de jaren ’60 was het een verzamelplaats voor hippies, en de hippiebusjes die we onderweg tegenkomen laten uitschijnen dat die golden sixties nog niet helemaal voorbij zijn. Ergens aan een kleine parking zetten we de auto aan de kant en gaan we een wandelpad op dat door het landschap kronkelt en ons tot bij het paradijs brengt.

Een zeven kilometer lange oase in een dal tussen de heuvels. De lucht is er adembenemend schoon, het water smeekt om te zwemmen, en buiten een occasioneel hippiebusje of een auto van een gezin op daguitstap zijn er geen ronkende motoren, gierende banden of brullende knalpotten te horen. In het paradijs zijn de vogels de meesters van het geluid.

We klauteren op rotsen, klimmen in palmbomen, bootsen het geluid van wilde varkens na, kijken wat de vissen lusten en wat niet, proberen dadels uit de boom te gooien, en zien de rotsen die de oase voeden met vers water. Wat een prachtige plaats.

Jammer genoeg moeten we al snel terug naar de stad, want le oiseau heeft afgesproken met zijn vriendin. Van ver waait de geur van uitlaatgassen ons toe. Eerst wordt ze nog vermengd met de geur van de sardienfabriek in de haven, maar eenmaal we de laatste heuvel gepasseerd waren verdwijnt ook die

Volgend weekend gaan we misschien wel terug naar de oase, gewapend met slaapzak en matje, om er de nacht door te brengen.



woensdag 18 januari 2012

God ziet alles… maar de buren nog veel meer

Het stond geschreven op een postkaart die ik een tijdje geleden in mijn handen kreeg en het gaat hier op als een vlieger. Wie graag stiekem wil doen is eraan voor de moeite. Iedereen houdt alles goed in de gaten. Als je dan nog eens buitenlander bent en in een volkse buurt gaat wonen, is er geen houden meer aan. Dan smeek je gewoon om onderwerp te worden van de dagdagelijkse praatjes in de groenten-, eieren-, ijzer-, naai-, en telefoonwinkel, aan de tafels van de brasserie en natuurlijk ook bij de bakker, slager en kapper.

Nog extra bevorderlijk voor de roddels is dat de familie van wie ik mijn appartement huur naast mij woont,  dat ze onder mij een rijschool heeft en dat de huisbazin enkele van mijn collega’s goed kent. Zo gaat het nieuws al snel de wijk rond. Bovendien komt er veel volk over de vloer bij mij, en dat zorgt voor veel bekijks. Als ik een praatje maak met iemand in de buurt weet die steevast of ik bezoek over de vloer heb. Van buitenlandse kerels wordt al snel gedacht dat ze mijn broer zijn. Hun haar is ongewoon lang en van een enkel in andere contreien bestaande textuur, dus moet het wel hetzelfde bloed zijn dat door hun aderen stroomt.

Gisteren ging ik na het werk joggen. Ik trok mijn sportschoenen aan en zodra ik een iets rustigere zijstraat was ingedraaid begon ik te lopen. Mijn tocht ging richting strand, over de drukke Avenue Hassan II, en dan verder door een voetgangerszone. “Allez la Belgique!”, riep een onbekende stem opeens achter mijn rug. Ik was goed aan het lopen en had geen zin om te stoppen of mij om te draaien, maar het was duidelijk iemand die wist wie ik was.

En dan vanavond. Sinds mijn terugkeer in Marokko had ik niets meer van mijn scoutsvriend Abdelali gehoord. Meermaals had ik proberen bellen, maar telkens kreeg ik zijn voicemail aan de lijn. Ik maakte mij de laatste dagen wat zorgen en besloot langs te gaan bij Mustapha, een vriend van Abdelali. Mustapha woont in een steegje op een boogscheut van mijn appartement. Hij is een sympathieke gast, maar zijn Frans is niet zo goed en ik zou er geen hele avond mee op café kunnen doorbrengen.

Mustapha kwam juist thuis toen ik op zijn deur klopte en nodigde mij uit om binnen te komen. Onmiddellijk begon hij thee te maken.  Drie dagen gelden had hij Abdelali nog gezien vertelde hij, en hij gaf mij een tweede nummer van hem. Ik probeerde meteen te bellen, en deze keer kreeg ik Abdelali wel aan de lijn. Er was een probleem met zijn ander nummer vertelde hij en zijn dochtertje was ziek, waardoor hij het nogal druk had. Het was in elk geval een geruststelling hem te horen.

Ondertussen was er nog een vriend van Mustapha toegekomen, meneer Rachid, die een kapperszaak heeft in de straat. Terwijl Mustapha thee in glazen goot en weer in de kan deed om de thee op smaak te brengen, vertelde meneer Rachid dat hij vorige week nog een van mijn bezoekers had geknipt. Pieter, een Belg met wat langer blond haar, die Marokko doorkruist per fiets, en die enkele dagen bij mij logeerde. Meneer Rachid dacht dat het mijn broer was.

Terwijl we thee dronken en brood in heerlijke arganolie dopten vertelden Mustapha en Rachid mij de nieuwtjes over de buurt. Dat er een Noorse kerel woont die John heet en niets doet dan lanterfanten, en dat hij altijd snoepjes voor de kindjes uit de straat meebrengt. En dat er naast Mustapha een huis is met wel negen kamers, elk bewoond door een meisje, en dat die meisjes niet studeren, geen gewoon werk doen, maar wel hun seksuele diensten aanbieden aan bezoekers van de dure hotels van Agadir. En ze roken waterpijp, soms kan je het ruiken als ze terug thuis komen, en drinken doen ze ook.

Er was geen houden aan. Met veel genoegen werd er verteld over praktijen die niet strookten met hun moraal. Zoals suiker de thee denk ik dat hun verhalen goed aangezoet waren, zodat ze lekkerder zouden smaken. Wat niet mag is tenslotte nog zo leuk om luidop over te fantaseren.

Daarna trok meneer Rachid de wijde wereld in, en ik volgde hem. Ik wou mijn blog nog bijwerken, en wat Arabische woordjes leren voor de les van morgen.

maandag 9 januari 2012

Loketfrustraties

De eerste dagen na mijn terugkeer in Marokko liep ik wat ziek en dan ben ik al eens gefrustreerd. De internetverbinding in mijn appartement was zoals voorzien na een maand verlopen. Donderdag ging ik naar het kantoor van Maroc Telecom om een verlenging te vragen. Nummertje trekken, en wachten maar. Na goed anderhalf uur van verveling was het uiteindelijk aan mij, en kon ik een code kopen om mijn aansluiting te vernieuwen. Terug thuis probeerde ik het meteen, maar zonder succes. Ook de interventie van de verkoper van de telefoonwinkel verder in de straat bood geen soelaas. Er zat niets anders op dan de volgende dag terug te gaan naar Maroc Telecom.

Terwijl ik na mijn werk terug naar het kantoor wandelde kwamen de frustraties naar boven. Omdat ik de dag ervoor al anderhalf uur gewacht had, om twee minuten geholpen te worden, voor iets dat uiteindelijk niet bleek te werken. En ook omdat ik me begon te realiseren hoeveel uren ik het komende jaar al wachtend zou doorbrengen in het agentschap van de telefoonmaatschappij. Ik had me gehaast van mijn werk, om de massa voor te zijn. In het kantoor drukte ik meteen op de knop van de ticketmachine, en ik werd getrakteerd op een klein papiertje. “Achttien wachtenden voor u”. Wat ik al had gezien toen ik het kantoor binnenkwam werd numeriek bevestigd. Mijn haast had mij niet beloond. Uren verveling lagen op mijn te wachten.

Alle loketbedienden van het agentschap. De twee die werkten, de twee die gewoon wat stonden te kletsen, die een die net zoals gisteren wel op zijn plaats zat maar wiens nummerbord niet aanstond en die ene met zijn zelfgemaakt bordje “guichet fermé” voor zich. Ik had ze allemaal een schop onder hun kont kunnen geven. Als ik ziek ben vind ik lief zijn soms wat overschat.

Ik ging dichtbij het loket staan waar ik gisteren was geweest. Het was dezelfde mevrouw die er zat. Ik had de indruk dat er nogal wat voorgestoken werd en dat de nummers van de ticketmachine niet echt gevolgd werden. Dat was exact wat ik ook van plan was. Ik ging wat dichter bij het loket staan, maar nog was er iemand die zich tussen mij en het loket murwde. Het was een oud Frans vrouwtje, die haar telefoon wou afsluiten. Na een ogenschijnlijk jarenlang verblijf in Agadir, waarbij ze zich zelfs aan de lokale klederdracht had gewaagd, had ze zich de Marokkaanse loketgewoontes goed eigen gemaakt.

De loketbediende moest iets halen, en op het grootste gemak wandelde ze naar de gang achteraan het kantoor. Een miljoen jaar later kwam ze terug. De dinosaurussen waren al tweemaal opnieuw ontstaan en evenveel keer weer uitgestorven, en de telefoon bestond enkel nog als rariteit in musea, maar de loketbediende wandelde ongestoord terug naar het loket. Een kopie van haar paspoort, vroeg ze aan het vrouwtje. Jammer genoeg werkte de kopieermachine beneden in het agentschap niet. De loketbediende ging naar boven om een kopie te nemen. Even gestaag als daarvoor wandelde ze naar de trap. Wel twee miljoen jaar later kwam ze terug.

Toen het Franse vrouwtje aanstalten maakte om te vertrekken ging ik zo dicht bij het loket staan dat ik er bijna tegen leunde. De mevrouw van het loket merkte mij op. Ze herinnerde mij nog. Of het niet gewerkt had. Nee. Dat gebeurde soms zei ze. Het verbaasde mij hoe vriendelijk ze wel was. Ik had me juist doodgeërgerd aan het lange wachten, de bureaucratie, en de loomheid van iedereen, maar ze was heel behulpzaam en lachte zelfs. Ik had norsheid verwacht, maar de loketbediende was juist supervriendelijk. Ze nam mijn code en tokkelde wat op haar computer. Er was een aanvraag verstuurd naar Maroc Telecom om het probleem te bekijken, en dat kon even duren. Ik zou de volgende dag moeten terugkomen om mijn internetverbinding te activeren.

Ook al moest ik nóg eens terugkomen, de vriendelijkheid van de loketbediende had mijn frustraties grotendeels weggenomen. Al was ik ook gewoon blij dat ik het kantoor kon verlaten. Tot morgen. Morgen inch’allah.