donderdag 29 december 2011

Boutades

Het is nu anderhalve maand dat ik in Marokko verblijf, en tot mijn vreugde zijn veel Marokkanen voorzien van een grote dosis humor en een goeie portie zelfrelativering. Daarom wil ik deze boutades, die ik stuk voor stuk van Marokkanen hoorde, graag met jullie delen:
  • Marrakech, arnakech (arnaquer is Frans voor bedriegen)
  • Tanger, danger
  • Agadir, rien à dire
Zonder afbreuk te doen aan deze drie mooie steden wijst het op een gave om zichzelf te relatieven, wat een grote deugd is.

zondag 18 december 2011

De zee


Al-Maghreb. Dáár waar de zon ondergaat. Het is de naam die de Arabieren aan het land gaven dat ze in de zevende eeuw aan hun rijk toevoegden. Vandaag is het nog steeds de Arabische naam van Marokko. De Arabieren kwamen uit het oosten, van waar de zon opkomt, en met de zon mee veroverden ze in die tijd Noord-Afrika. Het is hier in Marokko dat hun westelijke veroveringen eindigden. In het begin van de achtste eeuw staken ze nog de Straat van Gibraltar over om vijf eeuwen lang over delen van het Iberische schiereiland te heersen, maar het was in Marokko dat ze afscheid van de zon moesten nemen. Hier was het voor hen het laatste dag ter wereld.

Gelijk hadden ze om hier te stoppen. De zee is een mooie grens. En eerlijk, een rijk langs twee kanten van de oceaan is waanzin. Zeker als je er nog aan moet beginnen, en bij voorbaat niet zeker bent of er wel land is aan de andere kant.

Ik ga graag naar het strand, om naar de zee te kijken. Zeker in de vroege ochtend of de late avond, als het er verlaten is. Ik krijg vaak een Truman Show-gevoel. Het is warmer dan ik gewoon ben op een strand. En de wind is opvallend rustig. Het licht van de ondergaande zon en van de hotels op de dijk valt zo dat het wel spots zouden kunnen zijn. Het zou zich evengoed allemaal in een grote studio kunnen afspelen. Misschien is er geen ander land aan de andere kant van de oceaan, maar een deur naar een andere dimensie.

Vorige week was ik 's avonds laat op het strand, nadat ik met Abdelali op café was geweest. Nooit eerder had ik zo goed op het geluid van de zee gelet. De grote golven beuken op het stand. En de kleintjes krabbelen zachtjes over het zand. Soms wisselen ze elkaar af, soms rennen ze hand in hand het land op.


Het was vanop dit strand dat de inwoners van Agadir exact honderd jaar geleden het Duitse oorlogschip de Panther zagen naderen. Duitsland was in die tijd niet tevreden met de Franse en Spaanse pogingen om Marokko onder zich te verdelen en blokkeerde de haven van Agadir om de andere mogendheden onder druk te zetten. De “Agadir Crisis” draaide uit op een fiasco voor Duitsland. Onderhandelingen die volgden leidden ertoe dat Marokko een Frans protectoraat werd, terwijl Duitsland zich tevreden moest stellen met enkele gebieden in Centraal-Afrika. Samen met de aardbeving van 1960 is het de enige noemenswaardige gebeurtenis in de recente geschiedenis van Agadir.

donderdag 8 december 2011

Naar Tizoughrane (en terug)

Drie uur onderweg. Naar Tizoughrane. In de bergen, waar sommige mannen gekleed gaan alsof ze de ijzige vrieskou tegemoet gaan en waar het inderdaad iets frisser is. Hassan zit aan het stuur van de BTC-mobiel, en ik zit naast hem. Een 4x4 die opgewassen is tegen het slechtste wat de aarde auto’s te bieden heeft. Maar in Marokko zijn de wegen goed geplaveid. Geen gedaver hier. De mooie landschappen zoeven zonder schokken voorbij. Soms zijn ze opvallend groen door de vele arganbomen, hier en daar is er een oase, en in de bergen lijkt het even alsof we op de maan beland zijn.

 
Mooie landschappen worden bij voorkeur geserveerd met een boeiend gesprek of met stille bewondering. Zo ook vandaag. En op het menu van boeiende onderwerpen stonden politiek en godsdienst. Dat zijn zaken die je hier beter met een zekere voorzichtigheid benadert, maar om dezelfde redenen behoren ze ook tot de boeiendste gespreksonderwerpen.

Al snel waren bij de islam beland, en Hassan uitte zijn afkeur tegen mensen die allerlei voorschriften willen opleggen aan anderen. Dat je een baard zou moeten dragen om een goed moslim te zijn bijvoorbeeld. Volgens Hassan zijn er maar een beperkt aantal zaken waar je aan moet voldoen om moslim te zijn. Zo moet je in één god geloven, Allah namelijk, die er gewoon is. Elke keer als ik over godsdienst praat wordt dat benadrukt. Met enige spot wordt er dan altijd verteld dat er ook godsdiensten zijn die geen god vereren maar wel een koe (een koe begod!). Maar ik wijk af. De andere basisprincipes van de islam, zo vertelde Hassan, zijn de ramadan, het gebed, de armenbelasting en de bedevaart naar Mekka. Alles in de mate van het mogelijke natuurlijk. Als je ziek bent hoef je niet te vasten, en als je geen geld hebt moet je ook geen armenbelasting betalen.

Hassan had het erover dat er tegenwoordig meer en meer mensen die basisregels niet meer volgen. Mensen die niet meedoen met de vasten bijvoorbeeld. Hassan was het niet met hen eens, maar hij vond dat je niets mocht opleggen. Dat heb ik hier al vaker gehoord: iedereen moet maar doen wat hij zelf goed vindt.

Het doel van onze komst naar Tizoughrane was de voorzitters van de lokale waterorganisaties te informeren over de op til zijnde werken. Het dorp wordt door de ONEP aangesloten op het waternetwerk en de voorzitters worden ingelicht over wat dat allemaal gaat betekenen. Vergaderingen als deze worden doorgaans in het Berbers of Arabisch gehouden. Daar versta ik natuurlijk niets van, maar het is interessant om tijdens de vergaderingen te letten op gezichtsuitdrukkingen en gebaren. In combinatie met de paar Franse woorden die vallen probeer ik een verhaal te breien. Achteraf kan ik dan bij mijn collega's nagaan of mijn idee strookt met de werkelijkheid.

  
Na een dergelijke vergadering volgt steevast een tajine. Het principe is dat iedereen rond de tajine zit en met stukjes brood eten uit de pot vist. Ik ben er al vrij aardig in geworden, al moet ik nog wat oefenen in het op een propere manier vlees van een homp scheuren.

De terugweg werd een tijd van stille bewondering, soms afgewisseld met wat indutten, terwijl we de koelte van de bergen weer inruilden voor de warme vlaktes. Uitstapjes als deze zijn goud waard.

donderdag 1 december 2011

Meneren

“Monsieur monsieur, bonjour, ça va?” Met mij alles goed. En met u? “Première fois au Maroc?” De tweede keer. Of ik naar de Souk ga?

Kokosnoten noem ik hen. Tredgenoten zijn het. Mannen die even snel wandelen als ik, en toevallig juist naast mij. Naar de Souk gaan ze, net zoals ik. Onderweg kruisen ze en vervoegen ze mijn pad. Wat hen bindt is niet alleen de weg die ze volgen, maar ook hun standaardvragen, -grapjes en -vergissingen.

Meestal begint het ter hoogte van een uitgebrand gebouw, dat iets weg heeft van een halve kokosnoot, en ik daarom voor het gemak “de kokosnoot” noem, en waaraan de kokosnoten hun naam ontlenen. Ze beginnen met dezelfde vragen. Of het de eerste keer is dat ik in Agadir ben? Hoe lang ik blijf? Waar ik logeer? Of ik Fransman ben? Neen, Belg. “C’est la même chose”. Of ik naar de Souk ga? Dan of ik Marokkaanse thee ken, in de hoop dat ik het niet ken en ze mij op de thee kunnen vragen. Vervolgens het onvermijdelijke standaardgrapje: “c’est le whisky marocain”. En tenslotte vragen ze mij toch mee naar een kraampje in de Souk, want toevallig werkt hun broer, schoonbroer, oom, vader, schoonvader, neef, achterneef, of enig ander mannelijk familielid daar. “Juste pour voir”. Bedankt, heel vriendelijk maar ik kijk liever zelf wat rond.



Meneer Mohamed. Ik vind het een fijne manier om mensen aan te spreken. Meneer of mevrouw Voornaam. Zo gaat dat hier. Niet te formeel, en niet te losjes. Meneer Mohamed is de receptionist van de ONEP. Een zeer sympathiek man weet ik, hoewel ik er niet veel meer dan een paar bonjours mee heb uitgewisseld. Hij draagt een brede, zwarte snor. Als hij lacht, lacht zijn snor mee. En hij lacht breed, en zijn snor even breed mee. Hij is het gezicht van een warme ontvangst. De geknipte man achter de receptie.



Deze ochtend ben ik met meneer Hassan gaan lopen. Hassan eigenlijk, want ik heb nooit meneer gezegd. Om zeven uur voor cinema Salam. Wat jammer dat die cinema verlaten is, want voor een betonnen gedrocht heeft ze behoorlijk wat charmes. Maar daar waren we niet voor gekomen, wel om te lopen. Naar beneden. Langs de dijk. Op het strand. Waar de lucht fris en zuiver is. Tot daar-waar-die-soldaat-staat-en-je-niet-meer-verder-mag. En dan terug, langs een andere weg. Langs kolommen nieuwe appartementen, die allemaal leeg staan, maar niet voor lang meer. Over het plein waar alle taxi’s zich klaarmaken voor de dag. In twee brede rijen. Links de oranje taxi’s die de stad bedienen. En rechts de witte mercedessen, die de stad uitrijden, en van wie velen al ettelijke malen de wereld zijn rondgegaan. Terug aan cinema Salam.