Ik vertel de politieagent aan de andere kant
van het hekken dat ik een afspraak heb. Hij draait zich om en klopt op de
grijze metalen poort die versierd is met een zevenarmige kandelaar. Even later
doet een oude man met een keppeltje open. Het is de rabbi van de synagoge. Ik
wring mij tussen het dranghekken en een bloembak en stel me voor.
Achter de
grijze poort ligt een groot wit terras. Het is daar waar de kinderen spelen
voor en na de dienst, vertelt de rabbi. Hij wijst me een stoel aan en gaat
naast me zitten. We kijken uit over het terras. Een gigantische “La Vache Qui
Rit”-affiche bedekt de muur van het naburige appartementsgebouw.
De
vermoeide indruk die de rabbi maakte toen ik hem belde wordt bevestigd nu ik
hem in het echt zie. Bovendien hoort hij niet meer zo goed. Als ik hem vraag
hoe lang hij rabbi is moet hij even nadenken, en het komt hem voor dat het al
langer dan veertig jaar is. Van al die tijd is het maar de laatste tien jaar
dat hij in Agadir werkt. Daarvoor was hij gevestigd in zijn geboortestad Marrakech.
Arabisch is zijn moedertaal, maar de diensten in de synagoge gaan in het
Hebreeuws door.
Ik
informeer naar het aantal gelovigen, en de rabbi schat dat er nog ongeveer 70
joden zijn in Agadir. In de jaren zestig waren er dat nog ongeveer 2000. Terwijl
de stad sindsdien uit haar voegen barste, en nu het half miljoen inwoners
overschrijdt, verlieten veel joden de stad. Op zoek naar een beter leven emigreerden
ze naar landen als Israƫl, Frankrijk en Canada. Hetzelfde gebeurde elders in
Marokko, en van de enkele honderdduizenden joden die in het midden van de
twintigste eeuw in het land woonden, blijft een gemeenschap van enkele
duizenden over.
Voor zij
die gebleven zijn is er geen reden om te vertrekken, verzekert de rabbi mij. Marokko
is een tolerant islamitisch land en de joden hebben het er goed. Hij herinnert eraan
dat de het begin van de joodse aanwezigheid in Marokko – net zoals die van de
Berbers – meer dan 2000 jaar teruggaat, en dateert van voor de Arabische
verovering van het gebied.
Vanwaar de permanente
dranghekkens en de politie voor de deur dan, vraag ik me af. Volgens de rabbi
is het niet hij die erom gevraagd heeft, maar is het een beslissing van de
overheid. Dreigingen van geweld zijn er
nooit geweest.

